Op Duurzame Dinsdag gaat het ieder jaar over nieuwe ideeën en initiatieven die bijdragen aan een duurzamere samenleving. Bij duurzaamheid in de gebouwde omgeving denken we al snel aan minder energieverbruik, minder uitstoot en minder verspilling. Die benadering blijft relevant, maar verklaart steeds minder wat er vandaag in de praktijk gebeurt. Steeds vaker gaat duurzaamheid namelijk ook over de vraag of onze leefomgeving bestand is tegen schaarste, verstoring en veranderende omstandigheden. Wat kan een gebied aan? Hoeveel energie en water zijn beschikbaar? Welke infrastructuur is nodig om ontwikkeling mogelijk te maken? En wat gebeurt er als die capaciteit er niet is?
Neem energie. Een paar jaar geleden werd een investering in zonnepanelen vrijwel automatisch gekoppeld aan CO2-reductie. Tegenwoordig spelen vaak ook andere overwegingen mee. Op veel plaatsen is beschikbare netcapaciteit een beperkende factor geworden voor woningbouw, bedrijfsuitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen. De belangstelling voor energiehubs, opslag en lokale flexibiliteit wordt daardoor niet alleen gedreven door verduurzaming, maar ook door de vraag hoe gebieden en bedrijven kunnen blijven functioneren wanneer capaciteit niet onbeperkt beschikbaar is.
Bij water zie je iets vergelijkbaars. Veel klimaatadaptatiemaatregelen zijn ooit ontwikkeld om de gevolgen van extreme neerslag op te vangen. De droogte van 2026 laat zien dat dezelfde maatregelen inmiddels ook een andere functie krijgen. Historisch lage rivierafvoeren, lage grondwaterstanden en toenemende druk op de zoetwatervoorziening maken duidelijk dat water niet langer uitsluitend een klimaatvraagstuk is, maar ook een beschikbaarheidsvraagstuk.
In de landbouw verschuift de aandacht steeds vaker naar bodemkwaliteit, waterbeschikbaarheid en het vermogen om periodes van droogte of extreme neerslag op te vangen. Ook daar wordt zichtbaar dat de draagkracht van fysieke systemen (bodem, waterhuishouding, landschap) bepaalt wat er mogelijk is, en niet alleen wat wenselijk is.
De discussie breidt zich ook uit naar terreinen waar die vraag eerder minder vanzelfsprekend was. AI is daarvan misschien wel het meest sprekende recente voorbeeld. Op papier is het een digitale ontwikkeling, maar in de praktijk heeft het gewoon ruimte, water en elektriciteit nodig. De snelle groei van datacenters maakt zichtbaar dat ook sectoren die zich niet primair in de fysieke leefomgeving afspelen, uiteindelijk afhankelijk zijn van dezelfde fysieke systemen. Ook daar wordt systeemcapaciteit een beperkende factor.
Wat deze voorbeelden gemeen hebben, is dat zij zichtbaar maken hoe afhankelijk onze economie en leefomgeving zijn geworden van systemen die lange tijd als gegeven werden beschouwd. Dat heeft directe gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In gebiedsontwikkelingen wordt steeds duidelijker dat functies als woningbouw, natuur en mobiliteit niet alleen om dezelfde ruimte concurreren, maar ook afhankelijk zijn van dezelfde onderliggende systemen. Energie, water en bodem zijn daarbij niet langer randvoorwaarden die bij een project worden ingevuld. In toenemende mate bepalen zij of een project realiseerbaar is.
Daarmee raakt dit aan iets fundamentelers dan uitvoering. Lange tijd kon ruimtelijke ontwikkeling vertrekken vanuit de vraag wat maatschappelijk wenselijk was, waarna werd gekeken hoe energie, water, bereikbaarheid en milieu daarin konden worden ingepast. Inmiddels draait die om. Eerst komt de vraag wat de onderliggende systemen nog kunnen dragen. Daarna pas wat er ruimtelijk mogelijk is.
Dat zie je bij woningbouwlocaties waar netcapaciteit een beperkende factor blijkt. Bij gebieden waar water niet langer alleen moet worden afgevoerd, maar ook moet worden vastgehouden. Bij bedrijventerreinen waar economische ontwikkeling afhankelijk wordt van de vraag of energie slim kan worden gedeeld of opgeslagen. En bij klimaatadaptatie, waar niet langer alleen wordt gekeken naar de kwaliteit van de leefomgeving, maar ook naar de vraag of een gebied op langere termijn bruikbaar blijft.
Voor het omgevingsrecht is dat geen marginale ontwikkeling. Het omgevingsrecht kent dat patroon al. Stikstof heeft laten zien hoe een fysieke systeemgrens in korte tijd bepalend kan worden voor de haalbaarheid van projecten die ruimtelijk volledig aanvaardbaar waren. Energie en water volgen een vergelijkbare logica. Waar onderwerpen als energie, water en bodem eerder vaak als randvoorwaarden werden meegenomen bij de beoordeling van een ontwikkeling, en infrastructuur al langer onderdeel was van de ruimtelijke afweging, kunnen al deze factoren steeds vaker bepalen of een ontwikkeling überhaupt realiseerbaar is. Dat vraagt om een andere manier van kijken naar gebiedsontwikkeling. Niet eerst bepalen wat we ergens willen realiseren en vervolgens kijken welke voorzieningen daarvoor nodig zijn, maar eerder in het proces inzichtelijk maken wat een gebied daadwerkelijk kan dragen.
Dat klinkt eenvoudig, maar juridisch is het dat niet. Want wat doe je als een woningbouwlocatie ruimtelijk uitstekend past, maar het elektriciteitsnet geen capaciteit biedt? Of als een bedrijventerrein planologisch mogelijk is, maar de beschikbaarheid van water de ontwikkeling feitelijk begrenst? Wanneer is zo’n beperking een tijdelijke uitvoeringskwestie en wanneer wordt zij een relevante ruimtelijke randvoorwaarde? En wie moet die beperking bij de besluitvorming betrekken?
Daarmee verandert ook de rol van het omgevingsrecht. Het gaat niet alleen meer om de vraag welke ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is. Steeds vaker zal ook moeten worden vastgesteld welke ontwikkeling een gebied, gegeven de capaciteit van zijn fysieke systemen, daadwerkelijk kan dragen. Dat is meer dan een technische kwestie. Het raakt aan de manier waarop we plannen maken, besluiten nemen en verantwoordelijkheden verdelen.
Misschien is dat wel een van de belangrijkste verschuivingen die de komende jaren zichtbaar wordt in de fysieke leefomgeving: van ontwikkelruimte naar draagkracht.
Recent Comments