In een uitspraak van 28 augustus 2026 gaat de rechtbank Midden-Nederland in op de vraag welke beoordelingsaspecten van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (“BOPA”) mogen worden doorgeschoven naar een latere vergunningsfase.[1]
De rechtbank bevestigt dat artikel 12.27a Besluit kwaliteit leefomgeving (“Bkl“) ruimte biedt voor het gefaseerd beoordelen van een BOPA en formuleert daarvoor enkele randvoorwaarden. Een bepaald aspect, in dit geval parkeren, hoeft dus niet altijd al bij de eerste vergunning volledig te worden beoordeeld. Wel moet duidelijk zijn wat met de eerste vergunning wordt toegestaan, welk aspect wordt doorgeschoven en of dat aspect voldoende zelfstandig kan worden beoordeeld.
Van voormalig postkantoor naar appartementen
Een eigenaar wil een voormalig postkantoor transformeren naar appartementen. Hiervoor heeft de eigenaar een omgevingsvergunning aangevraagd om het gebouw, in afwijking van het tijdelijke omgevingsplan, voor wonen te mogen gebruiken.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren (“college”) heeft de omgevingsvergunning BOPA verleend. Aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat bij de latere aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit bouwen moet worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor het woongebruik.
Mag de beoordeling van het aspect parkeren worden doorgeschoven naar de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen?
Een omwonende komt op tegen de verleende omgevingsvergunning. Volgens de omwonende is de parkeerbehoefte een rechtstreeks gevolg van de beoogde functiewijziging naar wonen. Het college had daarom al bij de vergunning voor het woongebruik moeten beoordelen en mocht dit aspect niet doorschuiven naar een later vergunningsfase.
Daarbij is van belang dat voor de locatie een parkeereis geldt. Een bouwwerk waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, mag niet worden gebouwd als op het bouwperceel of in de omgeving daarvan onvoldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.
In deze uitspraak staat daarmee de vraag centraal of het college de beoordeling van het parkeeraspect mocht doorschuiven naar de nog aan te vragen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen.
Rechtbank: artikel 12.27a Bkl biedt ruimte voor fasering
De rechtbank stelt voorop dat het college heeft gekozen voor de fasering van één activiteit, namelijk de BOPA. De bouwactiviteiten staan in dit geval ten dienste van het strijdige woongebruik. Daardoor kwalificeert ook de nog aan te vragen omgevingsplanactiviteit bouwen als een BOPA.
Het parkeeraspect schuift daarmee niet door naar een andere activiteit, maar naar een volgende vergunningsfase waarin het project verder wordt uitgewerkt. De rechtbank ziet daarvoor geen concrete wettelijke belemmering en verwijst naar artikel 12.27a Bkl.
Op basis van de beoordelingsregels kan een omgevingsvergunning BOPA worden verleend indien het in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (“ETFAL”).[2] Artikel 12.27a Bkl bepaalt dat in ieder geval sprake is van een ETFAL, voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Het gaat om een tijdelijke beoordelingsregel voor de omgevingsvergunning BOPA. De beoordelingsregel is onderdeel van het overgangsrecht en geldt ook gedurende de overgangsfase waarin het omgevingsplan nog niet volledig aan de Omgevingswet is aangepast. De tijdelijke beoordelingsregel is onder de Omgevingswet met name relevant voor projectbesluiten. Gedurende de overgangsfase geldt een projectbesluit immers van rechtswege als een omgevingsvergunning BOPA.[3]
Kortom, de tijdelijke beoordelingsregel maakt het mogelijk om gedurende de overgangsfase de beoordeling van een activiteit over verschillende vergunningsfasen te verdelen. Het doorschuiven betekent niet dat het parkeeraspect buiten beschouwing blijft. De tijdelijke beoordelingsregel brengt mee dat het eerder vergunde woongebruik in de volgende fase niet opnieuw aan de ETFAL-toets hoeft te worden onderworpen, terwijl het parkeeraspect nog wel volledig aan de orde komt.
Voorwaarden voor een goede toepassing van de faseringsmogelijkheid
Uit de wet volgt niet welke aspecten bij een eerste of een volgende omgevingsvergunning moeten worden beoordeeld en vergund. Daarmee is het volgens de rechtbank aan de aanvrager en het bevoegd gezag om hierin een keuze te maken. De rechtbank formuleert wel enkele randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede toepassing van de faseringsmogelijkheid:
- de doorgeschoven aspecten moeten voldoende zelfstandig, los van de overige onderdelen van het project te beoordelen zijn;
- uit een oogpunt van rechtszekerheid moet duidelijk zijn waarop de eerste vergunning precies betrekking heeft; en
- moet duidelijk zijn welke onderdelen juist nog niet zijn vergund en in een latere vergunningsfase worden beoordeeld. Hiervoor kan een vergunningvoorschrift worden vastgesteld.
In deze zaak is het volgens de rechtbank voldoende duidelijk dat de verleende vergunning uitsluitend ziet op het woongebruik. Uit het vergunningvoorschrift blijkt bovendien dat het project bij de volgende aanvraag nog aan de parkeereis moet worden getoetst. De rechtbank ziet daarom geen belemmering voor het doorschuiven van het parkeeraspect naar de volgende aanvraag.
Een nog openstaande vraag: is een globale beoordeling vooraf vereist?
De uitspraak beantwoordt niet expliciet of het bevoegd gezag bij de eerste vergunning al globaal moet beoordelen of een doorgeschoven aspect de uitvoering van het project kan blokkeren. Deze vraag stond in de procedure niet ter discussie. Bovendien had het college in dit geval al een eerste beoordeling van het parkeeraspect verricht. Daarbij is uitgegaan van een conceptontwerp met 23 appartementen en heeft het college, mede op basis van de beschikbare parkeerruimte in de omgeving, de aanvraag in overeenstemming met de parkeereis geacht.
Artikel 12.27a Bkl en de nota van toelichting geven evenmin uitsluitsel over de vraag of zo’n beoordeling vooraf vereist is. Verdedigbaar is dat de volledige inhoudelijke beoordeling pas in de volgende vergunningsfase hoeft plaats te vinden, maar dat de eerste vergunning niet kan worden verleend als op voorhand duidelijk is dat voor het doorgeschoven aspect geen oplossing mogelijk is. Bij parkeren zou dit betekenen dat de concrete parkeeroplossing later mag worden beoordeeld, terwijl in de eerste fase mogelijk al aannemelijk moet zijn dat die oplossing niet evident is uitgesloten.
Uit de uitspraak lijkt te volgen dat het risico van het doorschuiven bij de vergunninghouder ligt. De rechtbank stelt namelijk dat als bij de volgende aanvraag blijkt dat niet in de benodigde parkeerplaatsen kan worden voorzien, het college moet beoordelen of (ook) voor de afwijking van de parkeereis een vergunning kan worden verleend met het oog op een ETFAL. Zolang die vergunning niet is verleend, mag het gebouw niet voor het beoogde woongebruik worden ingericht en mogen de daarvoor benodigde bouwkundige aanpassingen niet worden uitgevoerd.
Verdere rechtspraak zal moeten uitwijzen of bij een gefaseerde BOPA inderdaad een dergelijke globale beoordeling vooraf is vereist.
Conclusie
Deze uitspraak bevestigt dat artikel 12.27a Bkl ruimte biedt om de beoordeling van een BOPA gefaseerd vorm te geven. Dit biedt bij gebiedsontwikkelingen en andere projecten waarbij bepaalde onderdelen nog niet volledig zijn uitgewerkt, ruimte voor een meer flexibele(re) vergunningverlening.
De mogelijkheid tot fasering is echter niet onbegrensd. Het doorgeschoven aspect moet voldoende zelfstandig kunnen worden beoordeeld. Daarnaast moet voor alle betrokkenen duidelijk zijn wat al is vergund en welke onderdelen later nog aan bod komen. Het doorschuiven neemt bovendien niet weg dat het project in een volgende fase alsnog kan stranden als niet aan de geldende eisen kan worden voldaan. Uit de uitspraak lijkt te volgen dat dit risico bij de vergunninghouder ligt.
Of het bevoegd gezag bij de eerste vergunning al globaal moet beoordelen of voor het doorgeschoven aspect een oplossing mogelijk is, blijft vooralsnog onduidelijk. Interessant is daarom hoe deze mogelijkheid gedurende de overgangsfase zal worden toegepast op projectbesluiten die van rechtswege als BOPA gelden. Nu het projectbesluit nog volop in ontwikkeling is, ligt het voor de hand dat de tijdelijke beoordelingsregel voorlopig geregeld een rol zal spelen in de rechtspraak.
[1] Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6195.
[2] Art. 8.0a, tweede lid, Bkl.
[3] Art. 22.16, eerste lid, Ow.
*Special thanks to GT Associate Chanym Alekperova for contributing to this blog post.
Recent Comments